|
Fauna & Flora
Planten
De grote verschillen die voorkomen tussen de diverse vegetatietypen
in Argentinië worden vooral veroorzaakt door zaken als temperatuur
en regenval. In totaal telt het land 10.000 verschillende planten.
In het hoge, droge noordwesten komen veel cactussoorten voor, zelfs
tot 4000 meter hoogte. De meeste voorkomende cactus is de cardones
of zuilcactus. Daarboven komen vooral dwergstruikheide en
kussenvormende soorten voor.
In de valleien komt men vaak de algarrobo-boom en met name de
lapacho-boom tegen.
De Chaco-vlaktes in het noordoosten zijn een overgangsgebied tussen
de subtropische bossen en de Pampavlaktes. Laag doornachtig
struikgewas is hier vrij algemeen, samen met een van de bekendste
bomen uit Argentinië, de quebracho, door zijn harde hout en hoog
tanninegehalte (belangrijk bij de productie vanlooistof) economisch
belangrijk. Karakteristiek is hier verder de chorisia of
flessenboom.
Dit is ook het gebied van prachtige orchideeën en het nationale
symbool van Argentinië, de vuurrode ceibo. In het Parque Nacional el
Palamar groeit de yatay-palmboom, die nog maar op enkele plaatsen
ter wereld voorkomt.
Naar het oosten, richting Brazilië, verandert de vegetatie
aanzienlijk. Hier vindt men subtropische bossen met palmen, ceders,
lapacho’s, araucaria’s, Yerba mate-struik (een hulstsoort), palo
rosa en pino paraná als meest opvallende verschijningen. Langs de
rivieren groeien enorme varens.
Meer naar het zuiden volgt een groot moeras- en watergebied, met de
grote groene irupé, een waterlelie, als meest bijzondere plant. De
irupé kan een doorsnede bereiken van één tot twee meter.
Het Merengebied, in het westen van Argentinië, wordt gekenmerkt door
grote loof- en naaldbossen. Zeer bijzonder is hier de zeldzame, en
daarom de beschermde araucaria, een van de oudste boomsoorten ter
wereld. Ze kunnen honderden jaren oud worden en groeien meestal op
een hoogte van ca. 1800 meter. Zeldzaam is ook de arrayán-boom, die
nog maar op enkele plaatsen ter wereld groeit. In het zuidelijke
Merengebied ligt een nationaal park voor de alerce, een naaldboom.
Ze kunnen meer dan 2000 jaar oud worden en 40 tot 50 meter hoog.
Verder groeien in dit gebied onder andere cipressen en de
beukenboomsoorten coihue, lenga en ñire.
Bekende bloemen zijn de bottelita en de amancay, het bloemsymbool
van het Merengebied. Verder valt op dat er veel tulpensoorten
groeien.
De Patagonische vlakten zijn grotendeels begroeid met steppegras en
lage struiken, bomen komen er bijna niet voor.
Het Patagonische bergland is wat bosrijker met beukenboomsoorten als
de rauli, lenga, ñire en coihue, ook wel Nothofagus-bossen genoemd.
Door de overvloedige regenval blijven deze bomen altijd groen,
behalve boven de 1500 meter, waar het te koud is.
De pampa’s zijn wat de vegetatie betreft erg arm. Om wat
schaduwplekken te creëren heeft men zelfs veel ombu’s geplant,
waarvan de boomkruin een diameter van ca. 30 meter heeft. Ook de uit
Australië afkomstige eucalyptus komt op de pampa’s veel voor.
Op de vochtige Pampa Húmeda overheersen hoge, harde grassoorten als
chañar en espinal. Op de droge Pampa Seca overheerst de doornstruik
Dieren
Door de grote lengte van het land omvat Argentinië allerlei soorten
klimaten met de bijbehorende dierenwereld. In Noord-Argentinië komen
bijvoorbeeld 55 soorten slangen voor, in het zuiden slechts één en
in het uiterste zuiden is geen slang meer te vinden. In totaal telt
het land meer dan 300 verschillende soorten zoogdieren en 1000
verschillende vogelsoorten.
Enkele dieren komen in grote delen van het land voor en zijn zeer
karakteristiek voor Argentinië en Zuid-Amerika. Twee daarvan zijn
guanaco en de vicuña, beide verwant aan de lama. Deze dieren leven
vooral in de hooggebergtes in het noordwesten, in het zuiden langs
de kust van Patagonië en in de valleien van het Andesgebergte.
De nandoe is en Zuid-Amerikaanse struisvogel, die leeft in de
valleien van het noordwesten, en op de Pampa’s en de Patagonische
laagvlakte.
De lagunes in het droge noordwesten van Argentinië zijn belangrijke
broed- en verblijfplaatsen van drie soorten flamingo’s, de flamingo
austral, de flamingo chico en de flamingo chilena. Een roofvogel die
hier veel voorkomt is de majestueuze condor met een spanwijdte van
tot ca. drie meter.
In het nationale park Parque Nacional El Rey leeft de jaguar en de
‘ardillaraja’, een eekhoornsoort die zich pas boven de 1500 meter
thuis voelt.
In het moeilijke klimaat van de noordoostelijke Chaco-vlaktes leeft
het reuzengordeldier, de ‘tatú carreta’. Rond de moerasgebieden
leven slangen, miereneters, een kleine krokodillensoort, en apen als
de ‘mono cai’ en de ‘coati’. Een opvallende watervogel is de
‘espátula rosada’, een lepelaarsoort. Verder naar het oosten, in de
subtropische bossen, leven toekans, tapirs, kolibries, apen, vele
kikkersoorten en geweldige aantallen vlinders.
Meer naar het zuiden liggen uitgestrekte moeras- en watergebieden,
met de ‘garza mora’, een grote reigersoort, het waterzwijn,
navelzwijn, brilbeer, brulaap, en de ‘chajá’, een kuifhoenderkoet.
Verder nog krokodillen, schildpadden en bevers. De moerassen van
Corrientes zijn rijk aan slangen, gevreesd zijn de ratelslang en de
jarará.
De manenwolf lijkt op een vos, maar heeft veel langere poten en
lange haren in zijn nek. Zijn vacht is roodbruin met een witte vlek
op de keel en een witte staart.
In de bossen van het merengebied komen enkele hertensoorten voor,
zoals de huemul en de vrij zeldzame kleine poedoe. De gato huiña,
een grote wilde kat, jaagt op vogels en kleine knaagdieren.
Meest opvallende vogels zijn de carpintero cabeza roja, een
spechtensoort, de Patagonische lijster, en de picaflor austral, een
kolibriesoort.
De rivieren en meren zitten vol met zalm en forel, onder andere de
Europese forel of trucha marrón.
Op de Patagonische vlaktes veel kleine, maar wel bijzondere dieren.
Zo is daar de armadillo, een gordeldier, de mara of pampahaas, een
merkwaardig uitziend knaagdier, en de Patagonische vos. Grote dieren
zijn de guanaco, de poema en de nandoe. Een veel voorkomende vogel
is de bruine gekuifde tinamou. Typische lagunevogels zijn de
flamingo en de zwarthalszwaan.
Eind 18e eeuw kwamen de eerste merino-schapen met de Spanjaarden mee
naar Argentinië, op dit moment vreten reusachtige schaapskudden (ca.
25 miljoen) de vlaktes kaal.
De Patagonische kust is het domein van de zeeolifant, de zeeleeuw,
de zuidelijke zeehond, de gewone zeerob en pinguïns, waarvan de
Magelhaen-pinguïn de meest voorkomende is.
Wat verder de zee op komen tussen juni en oktober honderden
zuidkapers aan om te jongen. Deze walvissoort kan wel 18 meter lang
worden. Verder leven hier dolfijnen, tonijnen en orka’s.
Vogels zijn hier volop te vinden, onder andere uiteraard zeemeeuwen,
maar ook koningsaalscholver, witte plevier, Magelhaenscholekster,
malmokalbatros en reuzenstormvogel.
Een bijzondere verschijning is de centolla, een krabbensoort die wel
één meter in doorsnee kan worden.
De pampa’s zijn wat de fauna betreft een vrij arm gebied. Guanaco’s
en nandoes komen veel voor, evenals herten als de ciervo de los
Pantanos en de ciervo de la Pampa. Op de droge pampa leeft het
gordeldieren in de cañyons de jakhalsvos.
De pampa’s zijn verder een echt koeiengebied, met soorten als
shorthorn, Aberdeen angus, hereford, charolais en zelfs de Friese
zwartbontkoe, de ‘vaca Holandesa’.
Bron:
www.landenweb.net |